Weerzien

Janke Reitsma

‘We gaan naar zee,’ zei Marthe. Hij voelde haar stevige arm, waarmee ze hem overeind hielp uit zijn luie stoel. Niet dat hij zelf niet meer kon opstaan, maar sinds hij niets meer zag was het alsof hij ook niets meer kon.

‘Nu het weer kan,’ zei Marthe.

Ze had hem verteld dat ze was afgevallen. Ze wilde gezonder eten, door de pandemie was dat onderwerp ineens gaan leven voor haar. Ze wilde niet met een groot lijf op de intensive care terechtkomen. Voordat alles zwart werd was ze mollig, toen hij verliefd op haar werd was ze dat ook al en dat was lang geleden, want ze waren oud.

‘Hier, je jas,’ zei Marthe en ze pakte zijn pols, trok de mouw van de jas over zijn hand.

‘Maar ik ben blind,’ zei hij.

Ze reageerde niet en dat wist hij al voordat hij de woorden uitsprak. Ze was ermee opgehouden. Ze nam hem bij de hand en leidde hem naar de gang. Hij voelde met zijn voeten waar het vloerkleed overging in het harde laminaat. Hij wist dat hij nu tegenover hun trouwfoto stond. Hij met een kleine glimlach, zij voluit lachend, de springerige krullen onder haar hoed vandaan, haar handen om de stelen van de bloemen in het trouwboeket. Hij kon het zich herinneren. Het moment van de foto en de dag dat hij het hier aan de muur had gehangen.

‘Hangt de foto er nog?’ vroeg hij.

‘Natuurlijk.’ Ze bracht zijn hand naar de lijst en hij streek omhoog. Daar moest ze ongeveer zijn. Hij voelde stof aan zijn vingers.

‘Je moet niet teveel afvallen,’ zei hij. Hij hoorde een korte zucht en omdat hij haar gezicht niet kon zien, wist hij niet of dat kwam doordat ze lachte of zich juist ergerde.

‘Kom,’ zei ze. Ze liepen de gang op. Hij tastte met zijn hand langs de muur.

‘Moet je nog naar de wc?’ vroeg ze.

‘Nee.’

Hij hoorde haar rommelen. Iets van sleutels, misschien ook een tas. Wat nam ze allemaal mee? Het duurde een hele tijd.

‘Kunnen we niet gewoon thuisblijven?’ probeerde hij. Het gerommel hield op.

‘We gaan naar zee,’ zei ze.

Hoewel hij wist dat Marthe een rustige rijstijl had, voelde hij elke oneffenheid in het wegdek. Bij elke bocht vloog hij opzij en als ze remde greep hij zich vast aan zijn eigen knieën. Hij wist dat ze nog voorzichtiger deed dan voorheen, want ze hield al rekening met de overgevoeligheid van zijn compenserende zintuigen. Hij rook pepermunt en tastte met zijn hand, voelde de versnellingspook, de radio met knopjes waarvan hij niet meer goed wist waarvoor ze dienden, daarboven de tomtom, maar pepermuntballen vond hij niet.

‘Wat zoek je?’ vroeg ze.

‘Laat maar,’ zei hij en legde zijn handen weer op zijn schoot. Hij hoorde dat ze iets anders deed dan gewoon het stuur vasthouden of schakelen. Geritsel.

‘Hier,’ zei ze en ze gaf hem een zakje. Hij rook eraan en zocht de opening, waarna hij er twee pepermuntjes uithaalde en er een in de richting van Marthe stak. Ze pakte hem aan.

‘Moet je dat zien,’ zei ze.

Ik ben blind, wilde hij zeggen, maar hij hield zich in.

‘Sorry,’ zei ze en toen waren ze beiden stil. Zuigend op elk hun eigen pepermuntje.

Drie weken voordat de pandemie de wereld overnam hadden ze het te horen gekregen. Dat het licht langzaam zou verdwijnen. Niets aan te doen.

‘Nu het nog kan’, hadden ze tegen elkaar gezegd, ‘moeten we zoveel mogelijk wereldwonderen zien.’ Ze hadden nooit veel tijd gehad voor reizen, zelfs niet toen ze beiden met pensioen waren. O, ze hadden heus weleens tegen elkaar gezegd dat de tuin er zo mooi bij lag, vooral hij was een vogelliefhebber, herkende iedere soort die op of in het vogelhuisje neerstreek, maar verder waren ze blind geweest voor heel veel mooie dingen. Tot die dag. Ineens realiseerde hij zich wat hij nog had en ook zij besefte het. Zonder zijn ogen zou ze niets van wat ze zag nog met hem kunnen delen. Opeens wilden ze alles zien. De Zwitserse Alpen, de geisers en watervallen in IJsland en de fjorden in Noorwegen, waarvan ze alleen nog maar foto’s hadden gezien. Het liefst gingen ze ook nog op safari in Zuid-Afrika, maar die wens hadden ze vanwege de lengte van de reis later weer van het lijstje geschrapt. Het moest toch ook een beetje te doen zijn, ze waren tenslotte op leeftijd.

‘Zijn we op de snelweg?’ vroeg hij.

‘Ja,’ zei ze.

‘Ik voel het.’

‘Zie je wel,’ zei ze. Hij begreep niet wat ze bedoelde. Woorden vertelden hem lang niet altijd genoeg, ze gingen vaak verloren in de ruimte tussen hem en de ander. Ze konden van alles betekenen.

‘Je zult zien dat het een hele leuke dag wordt,’ zei ze.

Hij dacht aan hoe ze aan het begin van de pandemie hun plannen uitgesteld hadden, hun eerste uitstapje omgeboekt naar een maand later.

‘Kunnen we die tijd mooi gebruiken om te oefenen,’ had Marthe gezegd en ze zei dat hij met zijn ogen dicht door het huis moest lopen, alles op de tast moest vinden. Iedere dag oefenen. Hij voorop, zij met haar handen op zijn schouders achter hem aan. Hij had zijn ogen gesloten en was vol goede moed begonnen, langs de muren, langs de meubels, koffiegezet, alles was gelukt, maar over de drempel van de keuken terug naar de woonkamer ging het mis. Marthe probeerde hem nog tegen te houden, maar in plaats daarvan vielen ze samen op de grond, waardoor hij zijn ogen van schrik opende. Ze lag bovenop hem en ze lachten harder dan ze in tijden hadden gedaan. Ze kwamen bijna niet meer bij, draaiden zich lachend op de rug en keken naar het plafond. Nog nooit hadden ze opgemerkt hoe grauw het was en blijkbaar dacht niet alleen hij, maar ook Marthe op dat moment aan een helderblauwe lucht tussen bergtoppen, want ze zei:

‘Van uitstel komt geen afstel.’ Nadat de lockdown met twee maanden was verlengd, zei ze het nogmaals, maar toen er in hun straat drie oude mensen doodgingen en ze samen voor het raam hadden staan kijken naar de donkergrijze lijkwagens, zei ze niets meer en was ze gaan koken met extra groente en minder vlees.

Nadat ze een heel lange tijd hadden gereden kwam de auto ineens tot stilstand. Marthe zette de motor af en ze stapten uit. Hij rook een vreemde geur, een beetje zoals hij kende van de zee, maar net iets anders. Op het krijsen van meeuwen na, was het stil. Ook al was het tegenwoordig nergens meer stil. Hij hoorde zelfs de ademhaling van mensen die anderhalve meter bij hem vandaan stonden. Maar hier ontbrak iets. Er waren geen rollende golven, geen geruis van de branding.

‘Waar is de zee?’ vroeg hij.

‘Die is een stuk verder,’ zei Marthe

‘Is het eb?’

‘Dat ook.’ Altijd had hij haar zwijgzaamheid, haar gave alleen het hoognodige mede te delen, gewaardeerd, te meer omdat haar lichaamstaal en mimiek de rest wel vertelden. Nu bleef hij vertwijfeld staan.

‘Ik ben blind,’ zei hij.

‘We zijn bij de waddenkust,’ zei ze. ‘Die stond op ons lijstje, weet je nog?’ Hij wist het nog, met zijn geheugen was niets aan de hand. Sinds hij niets meer kon lezen, kon hij als de beste onthouden. De wensenlijst stond in zijn gedachten geschreven, met een blauwe balpen op wit kopieerpapier.

Er overviel hem een golf van verdriet. Zomaar. Daar in die duisternis, op een plek die naar de zee rook, op die plek ver van huis, begon hij te huilen.

‘Kom,’ zei Marthe. Ze pakte zijn hand en hij volgde haar, voorzichtig een trap op. Hoe hoger ze kwamen hoe harder de wind in zijn gezicht blies, tot ze stil bleven staan en daar maar wat stonden en hij niets anders kon horen dan de wind die in zijn oren brulde en zijn haren van zijn hoofd probeerde te trekken. Het benam hem de adem.

Marthe trok hem verder, naar beneden, dichter bij de geur van aangespoelde planten en zeediertjes. De meeuwen begonnen weer naar elkaar te schreeuwen en hij stelde zich voor dat ze vochten om een drooggevallen garnaal.

‘Ga hier maar zitten,’ zei Marthe. ‘Voorzichtig hoor, het loopt hier schuin.’

Hij voelde bijeengedrukte steentjes.

‘Waarom?’ vroeg hij, terwijl hij ging zitten.

‘We hebben schoenen voor je,’ zei Marthe.

‘Ik heb toch schoenen?’

‘Andere schoenen,’ zei ze, en ze gaf ze aan hem. Hij voelde canvas, een rubberen neus, lange veters.

‘We?’ Hij bewoog zijn gezicht van links naar rechts.

‘Ik ben Henk,’ hoorde hij. ‘We gaan het wad op.’

‘Maar ik ben blind,’ zei hij. ‘Marthe, kunnen we niet beter naar huis gaan?’

Maar Marthe was al begonnen zijn schoenen uit te trekken en zijn broekspijpen op te rollen en hij voelde haar warme handen op zijn huid en liet haar begaan. Hij hielp zelfs mee toen ze de canvas schoenen om zijn voeten deed.

‘Ze moeten goed strak,’ zei de man die Henk heette en Marthe trok de veters strak.

‘Au,’ zei hij en ze legde er een knoop in. De andere veter deed hij zelf.

Daar stond hij, met zijn kop in de zilte wind en in een duisternis die groter was dan hijzelf. Alles wat er tussen het ene en het andere zat duurde lang, zoals de tijd tussen het aantrekken van de schoenen en het gaan. Marthe deed van alles, waaronder haar neus ophalen. Hij vroeg niet wat ze nog meer deed, maar wachtte gewoon.

Beiden pakten hem bij de arm. Henk rook net als de omgeving, maar dan sterker. Marthe rook naar zichzelf en was nog stevig genoeg om zacht te zijn.

Toen zakte de grond onder hem weg en hij schreeuwde. Marthe lachte, Henk waarschijnlijk ook, maar ze hielden hem nog steviger vast. Hij trok zijn voeten met moeite uit het slik, dat stroperig aan zijn voeten kleefde en hem met iedere stap weer vastzoog. Het voelde koud aan zijn enkels en de canvasschoenen liepen vol, alsof hij langzaam door het landschap werd opgeslokt.

Na een tijdje werd de grond natter, het slik dunner en nog weer later was de grond hard en spoelde het water de klompjes slik tussen zijn tenen weer uit zijn schoenen.

Ze zakten niet meer weg en stonden stil. Ze zeiden niets en hij snoof de geur van het slik op. Rot en zilt tegelijk. Het was alsof hij terugkeerde naar zijn jeugd. Er kwam hem een beeld voor ogen van kinderen in de warme zon, die zich in hun korte broeken door het diepe slik bewogen. De hitte joeg het zweet uit hun lijven. Het was veel warmer dan vandaag. Hij zag het helder voor zich, een vertraagd afspelende film, met veel tijd voor geluk.

‘Ik ben hier eerder geweest,’ zei hij. ‘Toen ik vijftien was, met mijn schoolklas.’

Marthe leunde tegen hem aan.

‘Herken je het?’ vroeg ze.

‘De geur,’ zei hij. Ze waren stil en de zon brandde op zijn gezicht, terwijl de wind maakte dat hij koude voeten kreeg.

‘Hoe ziet het eruit?’ vroeg hij.

‘Het is leeg,’ zei ze. ‘Ver en leeg.’

‘En wat nog meer?’

‘Grijs.’

‘Hoe grijs?’

Ze was even stil, misschien moest ze erover nadenken, misschien kostten zoveel woorden haar moeite, maar hij gaf haar tijd.

‘Dichtbij is het groengrijs, daarna lichter, want er ligt een beetje water, waar de zon op schijnt. Daarachter is het lichtgrijs, bijna lila. Eigenlijk zijn alle pastelkleuren er, ze vloeien als waterverf in elkaar over.’

Ze vertelde over de pierenhoopjes tussen hun voeten, de geultjes die in ronde slierten door elkaar bewogen, de glinstering op het water, de zachte paarse gloed aan de horizon en daarboven de lucht, zachtblauw. Niet helder, zei ze, maar doorzichtig blauw, alsof er een vernislaagje overheen lag.

‘Er zit een grote groep vogels bijelkaar. Ze hebben lange rode snavels en roodoranje ogen, zwarte veren en een wit onderlijf. Rode poten. Hoor je dat gepiep?’ vroeg ze.

‘Scholeksters,’ zei hij.

‘Ja,’ zei ze en ze luisterden even.

‘Ze vliegen nu op. Hoor je ze? Ze reageren op elkaar, de hele groep tegelijk. Misschien zijn ze van ons geschrokken. Het is een grote zwerm, allemaal rode snavels.’ Ze stopte even. ‘Nu gaan ze weer zitten, een beetje ineengedoken, alsof ze ruimte willen maken voor elkaar.’

Ze was stil en hij hield haar arm stevig vast, terwijl hij luisterde naar de vogels in de verte.

Na een tijdje vroeg hij of ze nog meer zag.

‘Nog meer vogels,’ zei ze.

‘Wat voor vogels?’

‘Een kluut,’ zei ze.

‘Hoe weet je dat het een kluut is?’ vroeg hij.

‘Ik heb het herkennen van wadvogels geoefend op de site van de Vogelbescherming,’ zei ze. ‘Hij zit te wroeten in het slik, met die gekke snavel van hem.’ Ze inhaleerde diep de zeelucht.

‘Ik zie ook een noordse stern,’ zei ze even later en hij hoorde een aarzeling in haar stem. Misschien loog ze. Misschien had ze over de kluut ook wel gelogen, maar het gaf niet.

Nu het weer kon, stonden ze daar samen te kijken naar een wereldwonder, naar de uitgestrekte aarde die in zilvertinten voor hen lag. Het leven dat hier onder hun voeten in het slik verstopt zat, even verderop in een eensgezinde groep bij elkaar kroop en boven hen onnavolgbaar door de lucht danste. Hij moest huilen, maar de tranen vertroebelden zijn zicht niet. Hij zag alles voor zich.