Hospi

Karen Bies

Ik ben een achttienjarige tweedejaars geschiedenisstudent en mijn ouders meer dan beu. Heb je een kamer vrij en zoek je een gezellige huisgenoot die ook nog kan koken? Stuur me dan een pb.

Hij zocht een foto waarop hij er niet al te crimineel en ook niet al te gay uitzag en tikte op ‘plaatsen’. Misschien maakte hij met deze post meer kans dan via de zoveelste hospi. Vanmiddag had hij er weer één, de negende, of de tiende al? Hij was de tel kwijt. Ook die hospiteersessies was hij behoorlijk beu.

Het hele eerste studiejaar, toen hij nog thuis woonde, had hij de moed erin gehouden. Een geboren dromer die zich niet liet storen. Misschien niet nu, zei hij steeds tegen zichzelf, maar dan toch vast en zeker de volgende zomer zou hij de zoete vruchten plukken van het studentenleven waar hij zo naar verlangde. Van berichten dat vooral jongeren het moeilijk hadden en zoveel moesten missen ‘in de mooiste tijd van hun leven’ ging hij zich juist slechter voelen. Liever maakt hij er het beste van.

Hij sliep elke dag tot minstens het middaguur. Dan stond hij op, keek filmpjes op zijn telefoon, dronk zwarte koffie en at iets. Soms pakte hij zijn laptop om online colleges te volgen. Hij moest uitkijken dat hij dan niet opnieuw in slaap viel, vooral bij docenten die hem in steenkolenengels iets probeerden bij te brengen. Hij appte met zijn klasgenoten, deed zijn opdrachten en haalde zijn tentamens. Zo sukkelde hij zonder kleerscheuren het eerste studiejaar door.

Hij wist zijn ouders doorgaans prima te ontwijken. Hun dag- en nachtritme en het zijne liepen tamelijk ver uiteen. Zijn moeder zag hij alleen ’s avonds, die zeurde nu al over een ‘empty nest’. Van zijn vader had hij leren koken. Althans, hij onthield het basisrecept voor een rode saus die zowel bij rijst als bij pasta prima smaakte. Ook pannenkoeken of een appeltaart bakken kon hij als de beste.

Zijn baantje bij de supermarkt deed hij op zijn elfendertigst. Geld had hij niet nodig, uitgaan zat er immers toch niet in. Af en toe ging hij zich te buiten aan veel bier en rare cocktails op een illegaal feestje bij iemand thuis. Maar voor de rest hield hij zich meestal gedeisd. Muiten zat niet in zijn aard.

’s Avonds gamen met zijn vrienden leek nog het meest op normaal, omdat ze dat vóór de pandemie ook altijd al deden. Op zijn zolderkamer ging hij schreeuwend en scheldend tekeer tegen de Playstation. Dat kalmeerde hem.

Elke dag hield hij in de tuin een balletje hoog. Hij fietste naar de sportschool zodra die weer open was. Daar trainde hij zijn biceps. Als hij thuiskwam, bakte hij drie eieren voor zichzelf. Hij liet zijn haar millimeteren, wat hem niet stond. Hij wilde ontzettend graag op kamers.

Bij een studentenleven dacht hij niet aan studeren. In zijn dromen ontmoette hij in kroegen en clubs nieuwe mensen uit alle hoeken van de wereld. Muziek en stemmen zou hij horen, live en hard, en onverstaanbaar geschreeuw. Hij hoopte op diepzinnige gesprekken, gelach om zijn grappen. Naar zwoele, frisse parfums verlangde hij, maar ook naar kroegzweet, bierkegels of de geur van net-uit-bed. Als het maar dichtbij was. Van heel dichtbij zou hij in ogen kijken, glimmende, lokkende, smachtende ogen. Hij wilde iemand vastpakken, zachte armen om zich heen voelen. Hij zou dansen, zoenen en zuipen tot het ochtendgloren. En dan naar wie weet welk huis wankelen.

Tot nu toe was hij altijd iemand geweest. Een speciaal iemand, van wie veel gehouden werd, die een nachtzoen kreeg voor het slapen gaan, op verjaardagsfeestjes nooit ontbrak. Een teamgenoot, een beste vriend, een lieve zoon. Iemand die gemist werd als hij er niet was. Van wie er duizend foto’s bestonden – die wat hem betrof voorlopig wel in een doos op zolder konden blijven, bewaard door zijn ouders.

Hij wilde een tijdje niemand zijn. Niemand in het bijzonder. Onopvallend, als een van de velen, in de veilige anonimiteit van de stad. Hij zag zichzelf lopen door de straten, of nog beter, fietsen. Wandelen was voor toeristen. Inwoners fietsten. Niemand zou zich om hem bekommeren, en onbekommerd zou hij daar fietsen.

Hij zou een passant zijn, een figurant of een personage in een dramatisch verhaal dat hij zelf koos. Of een avontuur waarin hij stomtoevallig, struikelend en zonder bedoeling terecht zou komen. Alles was mogelijk. Hij droomde de stad als een plek van eindeloze vrijheid. Zijn paradijs.

Bij zijn eerste hospi ontmoette hij in een donker studentenhuis vier bleke jongens. Ze zaten elk op een bedompt kamertje voor een beeldscherm, deden informatica of zoiets. Alle vier hadden ze een eigen plankje in de keuken, waarop een eigen fles olijfolie stond naast een eigen koekenpan. Een eenzaam tafereel. Ze aten nooit samen, hoorde hij. Er was in dit huis trouwens ook geen GK (Gemeenschappelijke Kamer).

Zijn nieuwe leven van ‘niemand in het bijzonder’ stelde hij zich toch iets gezelliger voor.

Hij wees de kamer af, vol zelfvertrouwen. Dat het zo moeilijk zou worden, had hij toen nog niet in de gaten.

Bijna wekelijks werd hij uitgenodigd voor een hospi, dat wel. Blijkbaar zagen ze hem niet als een complete gek en dat probeerde hij te ervaren als iets positiefs. Maar soms werd de afloop hem al bij de voordeur duidelijk. Bijvoorbeeld toen het meisje dat opendeed teleurgesteld zei: ‘Hè, op de foto waren je haren veel langer.’

Hij leerde hoe hij zich ‘gewenst’ gedroeg. Nooit zat hij om woorden verlegen. Hij praatte niet over zijn studie, dat was geen onderwerp. Hij toonde belangstelling voor de anderen, onderbrak niemand, reageerde enthousiast maar niet té. Lachte op de juiste momenten om de grappen van de bewoners, ook al waren ze niet echt grappig.

Op een avond kwam hij in een groot huis waar wel twintig jongens woonden. Bijna allemaal studeerden ze bedrijfskunde. Of hij kon koken, interesseerde hen niet. Ze lieten graag eten komen, vertelden ze, zelfs van de pizzeria tegenover het huis. Het lukte altijd om de bezorger twintig pizza’s naar de vierde verdieping te laten brengen en dan gaven ze hem een tientje extra.

Op het balkon lagen de pizzadozen metershoog. Hij dronk die avond net zoveel bier als de anderen, voelde zich al bijna één van hen, bleef hangen tot hij de bus naar huis ruimschoots gemist had. Maar toen hij na een week telefoonstilte informeerde of er al iets bekend was over de kamer, lieten ze hem weten dat de keus niet op hem gevallen was. Ze hadden toch liever een meisje.

Toch mocht hij blij zijn dat ze hem uitnodigden, hoorde hij dikwijls, want op elke kamer kwamen minstens honderd reacties. De eisen aan kandidaten werden derhalve steeds hoger. Een speeddate op het dakterras voldeed niet. Eens moest hij meedoen aan een spel met voorrondes, een puntentelling en een jury. Hij herinnerde zich hoe ze met hun stoelen omgekeerd zaten toen hij de kamer binnenkwam. Pas nadat hij een kwartier aan het woord was geweest, draaiden ze zich om. Zijn manier van praten beviel hen, zeiden ze, en ze wilden wel eens zien ‘wat voor vlees ze in de kuip hadden’. Eén van hen bleef achterstevoren zitten, met zijn wrede rug naar hem toe.

Toen hij ’s avonds een appje kreeg dat hij tóch door was naar de volgende ronde, voelde hij zich ziek blij. Helaas viel hij later af, in de battle.

Cadeaus vielen in goede aarde, merkte hij. Daarom bracht hij een keer een zelfgebakken appeltaart mee, toevallig één van zijn specialiteiten. Maar vlak na hem kwam er een gast binnen met een tienliterfles bier. Een vent als een kleerkast die onmiddellijk het hoogste woord voerde. Het lukte hem niet om er nog tussen te komen. De appeltaart bleef onaangeroerd op tafel staan. Verloren zaak.

Elke keer ging de kamer aan zijn neus voorbij. Hij vond het steeds moeilijker om zichzelf te verkopen. De heilloze hospi’s waren niet alleen een hels karwei, ze pleegden ook een aanslag op zijn zelfvertrouwen. Hij begon te geloven dat er echt iets mis met hem was. Alsof zijn leven tot nu toe, waarin hij de onvoorwaardelijke liefde van zijn omgeving ervaren had als iets vanzelfsprekends, één grote leugen bleek. Ondanks de duizend foto’s.

En juist van degenen die hem liefhadden, accepteerde hij geen troostende woorden. Zijn moeder had ergens een verhaal gehoord over een meisje dat zesendertig keer had gehospiteerd en nog steeds geen kamer had.

‘Je moet vooral jezelf blijven,’ drukte ze hem op het hart. ‘En als ze je niet willen, zijn ze je niet waard.’

Hij vroeg haar of ze nu eindelijk haar mond eens kon houden.

De hospi van vandaag werd uiteindelijk het dieptepunt in de reeks. Hij had de bus gemist en was een halfuur te laat. Twee-nul achter, betekende dat. Dus toen hij aan kwam rennen en de bewoners op de stoep zag slepen met bier, riep hij al van verre: ‘Zal ik even helpen?’ Hij kreeg twee kratten opgestapeld in zijn handen. Het deed pijn, maar hijgend, zwijgend en heelhuids bereikte hij driehoog.

De rondleiding door het huis had hij natuurlijk gemist. Ze zaten inmiddels met z’n allen in de GK een kennismakingsspel te doen. Een meisje dat er al woonde, riep met schorre, uitgelaten stem: ‘En vertel ons nu een gênant verhaal over jezelf!’

Als eerste biechtte een nerveuze eerstejaars rechten een geschiedenis op waarin bier, kots, bloot, een dertienjarig buurmeisje en ten slotte haar nietsvermoedende ouders een rol speelden. Terwijl de jongen voort stotterde, viel het gezelschap inderdaad in een gegeneerd stilzwijgen. Alleen het schorre meisje lachte. Iemand bloosde, misschien was hij het zelf wel, maar dat wenste hij zich later niet meer te herinneren. Hij voelde diep medelijden met de ongelukkige. Maar hier en nu, tegen zo’n kansloze figuur die immers in hetzelfde gammele schuitje zat als hij, wist hij niks opbeurends te zeggen.

Nog meer gênante verhalen waren niet nodig. Hij vluchtte de drie trappen af. De afwijzing die hij ’s avonds op de app las, voelde als een opluchting. Nee, zelfs dat niet eens, het was meer een schouderophalen. Zover was hij nu.

Het einde van de zomer naderde. De zwiepende ruitenwissers en het ruisen van de wielen op het natte wegdek vormden het achtergrondgeluid van de zoveelste busrit naar de stad. In de weerspiegeling van de ramen zag hij zijn eigen gezicht. Scherpe ogen met diepe wallen eronder.

Hij dacht aan de vier bleke computerjongens in het eerste huis. Zo nieuwsgierig en onbevangen als hij toen was, zo neerslachtig voelde hij zich nu. De introductieweek ging vandaag van start en hij had nog steeds geen woonruimte. Waar hij vanavond zou slapen, wist hij niet.

Hij legde zijn hoofd tegen het raam en sloot zijn ogen. In zijn droom was hij een reiziger die voor een ruw en steil gebergte stond, maar wist dat ergens daarachter een zonnige vallei moest liggen. En hoe lastiger het beklimmen van de rotswand zou zijn, hoe lieflijker het paradijs dat hem wachtte.

Hij deed zijn ogen open en veegde de beslagen ruit schoon. Daar zag hij zijn hoofd weer, met de veel te kort geknipte haren.

Nadat hij het polsbandje had opgehaald, ontmoette hij de rest van zijn groepje. Een geruststellend gezelschap, vond hij. Duidelijk eerstejaars. Onzekere types. Eén zenuwpees die de hele tijd in zijn rugzak zat te kijken. Maar geen schor geschreeuwde meisjes, geen kerels met een grote bek. Een meisje met lang donker haar viel hem meteen op.

De zon kwam door de wolken. Iedereen had honger, ze haalden pistoletjes en besloten naar het park te gaan. Het donkere meisje legde haar regenjas neer in het natte gras. Hij mocht naast haar zitten.

Af en toe durfde hij opzij te kijken naar haar gezicht, in het witte zonlicht dat tussen de bomen door viel. Ze vertelde dat ze geluk had gehad. Sinds kort zat ze in een groot studentenhuis in de zeeheldenbuurt. Vanavond was er een huisfeest. Of hij ook zin had om te komen? ‘Graag!’ zei hij meteen.

De regenjas was niet waterdicht, voelde hij. Het deerde hem niet. Haar ook niet, blijkbaar.

Terwijl de verveloze deur piepend openging, viel een waterval van muziek over hem heen. Hij klom omhoog, tussen mensen door die op de bovenste treden zaten. In een kamer werd gedanst. Het rook lekker in de keuken. Een blonde jongen was pannenkoeken aan het bakken, met op het aanrecht een pak eierpannenkoekmix. Hij kende het: alleen water toevoegen.

Toen kreeg de jongen hem in het oog. ‘Hee, ben jij degene die de kamer wilde zien?’ vroeg hij. ‘Babette zei al dat je zou komen.’ Hij kreeg een flesje bier in zijn handen geduwd en werd meegesleept het huis in, nog een trap op. ‘Je boft. Iemand heeft net afgezegd.’

In het kamertje stond een smal ijzeren bed met een oud matras erop. Ernaast een stoel. Met hem en de jongen erbij was het vol. ‘Maar het raam kan open, hoor. Daar kun je eventueel uit gaan hangen. Als je ’m wilt, moet je ‘t vanavond zeggen.’ De jongen rende de trap weer af, het feestgedruis tegemoet.

Zijn gympen plakten aan het zeil. Hij stak zijn hoofd naar buiten. De regen voelde weldadig koel. Beneden hem stonden kliko’s, een bank en een paar fietsen. In de verste verte geen zonnige vallei te bekennen. Langs de randen van het platte dak wezen metalen punten vijandig omhoog.

Terug in de keuken zag hij het meisje in de vensterbank zitten. Babette.

De blonde jongen stond te hannesen bij het fornuis.

‘Zal ik?’ bood hij aan. Hij nam de koekenpan over, schudde even en gooide met een soepele beweging de pannenkoek in de lucht. Keurig viel hij ondersteboven weer in de pan.

‘En?’ vroeg Babette.

‘Ik neem hem,’ zei hij.