De psycholoog komt aan het orgel likken

Joost Oomen

De psycholoog kijkt naar haar schoen. Op haar sneaker, aan de zijkant van de zool, zit een stuk roze kauwgom. Ze weet niet waar ze het stuk roze kauwgom heeft opgelopen en als het van buiten komt, heeft ze bij het naar binnen lopen geen vlekken achtergelaten in de ruige, donkerblauwe vloerbedekking van de praktijkruimte die ze in het zorgcentrum huurt. De kauwgom is niet vaal, het roze lijkt sappig en vol van smaak, alsof iemand er misschien tien keer op gekauwd heeft en het daarna op haar schoen heeft uitgespuugd.

De psycholoog wacht al een kwartier op een patiënt. De patiënt is een man van vijftig die altijd stipt op tijd komt en dan twintig minuten over zijn tantra-klasje praat. Vaak huilt hij daarbij. De laatste keer heeft ze hem beledigd door te zeggen dat ze net haar eerste vaccinatie had gekregen.

Het is zomer, de ramen staan open. Hij komt niet meer, denkt de psycholoog. Ze krabt aan haar been; ze heeft een veel te warme, nette pantalon aan.

Ze buigt voorover en pakt het stuk roze kauwgom van haar schoen. Ze stopt het in haar mond.

Olivier Messiaen zit achter het orgel in de Église de la Sainte-Trinité, de Kerk van de Heilige Drie-eenheid, ooit in Parijs. Messiaen heeft zijn bril naast het middelste van de drie klavieren gelegd en met wijd uitgespreide vingers drukt hij zijn akkoorden in. De kerk is op hem na leeg. Het is drie uur in de nacht, maar dat is het al jaren, het Parijs dat om het orgel heen lag, is verdwenen. De kerk suist door de lege ruimte, maar die lege ruimte is warm.

God zit in het orgel. Messiaen heeft hem daar zelf in gegoten, met behulp van een olijfoliekannetje dat hij in de vertrekken van de pastoor heeft gevonden. God vond het al eeuwen leuk in het kannetje; hij gedroeg zich als een klein kind dat met modder speelde, lachte baldadig naar Messiaen. Messiaen had geen geduld met hem. Hij had God nodig in het orgel en dus goot hij hem zonder pardon uit het kannetje en in het orgel. Het gaf een slurpend geluid, alsof er een leiding ontstopt werd. Nu God door dit orgel ademt, op constant aansturen van Messiaen, is God gelukkig geworden. Hij heeft in het orgel vrienden gemaakt met de kaketoe, de waterval en de westenwind.

De psycholoog zuigt op de roze kauwgom. Door het open raam klinkt orgelmuziek. Verbaasd loopt de psycholoog naar de ramen om te kijken waar de muziek vandaan komt, maar voordat ze haar hoofd naar buiten kan steken, worden haar benen zo slap dat ze op de grond moet gaan zitten. Afgelopen oudejaarsavond heeft ze voor het eerst een ecstasypil geprobeerd en wat ze nu voelt lijkt daar een beetje op, alleen maalde ze bij de pil met haar kaken, had ze last van koud zweet en was ze zich constant bewust van de chemische oorzaak van haar gelukkige gevoel. Nu voelt ze juist een bonzend, natuurlijk soort liefde door haar longen en rug stromen. Ze ligt op een zacht, zoet tapijt van suikerwater, abrikozenjam, vloeibaar tafelzilver, het gerinkel van een ouderwetse telefoon, dennenhars en ananassap. Ze zou een wildvreemde willen zijn die haar kwam knuffelen. Ze heeft veertien tenen van robijn en goudbrokaat.

Messiaen laat het orgel een Australisch roodborstje. Messiaen laat het orgel een regenboogbijeneter. Messiaen laat het orgel een borstelkalkoen, een apostelvogel, een maretakvogel, een koningspapegaai, een blaffende uil, een kookaburra. Een bruine beer slaat ver weg op een houten kist, God en zijn vrienden moeten huilen van het lachen, ze worden gekieteld door de klanken en klauwen en scherpe snavels van de vogels, vleugels, vogels. Op het glimmende orgel, honderd buizen van goud, barsten miljoenen bloemen uit. Er groeien tropische bossen op de zwarte toetsen, er hangt ochtenddauw en hasjrook in de windlade, de kanalen en ventielen worden overwoekerd door aubergineplanten. Bijen en ezels zo groot en klein als suikerklontjes spelen tikkertje op de randen van de ornamenten. De waterval, de westenwind, God en de kaketoe delen voetzoekers en zure gummiberen uit aan elk bitter akkoord dat ze tegenkomen, dat door Messiaen wordt ingedrukt. Vermiljoen, oranjebloesem, perencider, waterkers, poedersuiker, zuiveringszout, het stroomt door de orgelpijpen, wordt met handenvol tegelijk het schip van de kerk in gesmeten en het licht dat door de nachtblauwe, okergele, bloedrode glas-in-loodramen valt, reist dwars door al die geuren en geluiden heen.

De psycholoog ligt naakt op haar kleed. Haar open ogen zijn gericht op het systeemplafond.

‘Hallo,’ zegt ze schuchter tegen Olivier Messiaen. Nu staat ze rechtop in de schemering. Haar kruin raakt bijna het gewelf van de kerk.

Messiaen is ook naakt, op zijn strenge, zwarte bril na, die hij weer op heeft gezet. Hij is een oude man van in de tachtig, zijn wangen en onderkin zijn slap als een kippenlel. Hij kleeft aan de voorkant van zijn orgel, als een koelkastmagneet van Frankrijks meest gelauwerde moderne componist. Over zijn gezicht lopen stroompjes zweet. Over het orgel lopen stroompjes zweet.